Achteruit vliegen

Na een periode van lusteloosheid dacht Bella dat het iets beter ging met haar zusje. Anna ging in de lente nog steeds niet naar school, maar was wel begonnen aan allerlei kleine projecten. In haar project om een avocadoboom te kweken las Bella een wil om te leven. Iedere morgen moest Anna opstaan, om te kijken of de pit al was ontkiemd. Wekenlang lag de steeds weker wordende pit in een laagje water. Toen de zesde week was aangebroken, opperde mama voorzichtig dat het misschien tijd was om op te geven. Anna protesteerde. De volgende morgen was het bakje, met pit en al, verdwenen van de vensterbank. Mama vond het in de prullenbak. Ze haalde het bakje eruit, spoelde het om en legde het in de kast. Het werd niet meer genoemd.

In de winter, op Anna’s zestiende verjaardag, liep Bella haar kamer binnen. Anna was er niet. De gordijnen waren gesloten. Het enige licht kwam van een zwak bureaulampje. Het grote licht had Anna nooit aan – het maakte een zoemend geluid als het aanstond, zo beweerde ze. Daar had ze nog ruzie over gehad met papa, die er drie keer een nieuw lampje in draaide, zonder succes. Niemand anders hoorde het zoemen. Bella voelde zich een indringer, maar liep toch door. Op het bureau lag een schriftje, met een pen als boekenlegger. Ze sloeg het open en las, ‘De vogels vliegen achteruit. Of nee, ze worden achteruit gezogen. Ze proberen te ontsnappen uit een tunnel van lucht.’

Die nacht had Bella een droom. Ze speelde een computerspelletje. Anna keek toe, vrolijk commentaar gevend. Plots werden ze samen het scherm ingezogen. Ze belandden in een groot huis midden in een stad. Alle ramen stonden wagenwijd open en alle lichten stonden aan. Verwonderd tuurden ze over de besneeuwde daken. Er verscheen iets roods in de verte. Anna riep, ‘Bloed! Het bloed rent hierheen!’. Bella fronste en zag toen bebloede figuren over de daken sprinten, op weg naar het licht. Bella greep haar zusje vast. ‘Nee joh, het lijkt maar zo.’ Om Anna niet bang te maken deed ze alsof ze haar omhelsde. Ze tastte haar rug af voor een knopje. Dit knopje, wist ze zeker, zou ze beiden terugvoeren naar de werkelijkheid. Ze vond het en drukte erop. Niets. Een ijzige huivering viel over haar neer. De knop was veranderd in een nutteloze knoop op Anna’s blouse.

De volgende ochtend duurde het lang voordat Anna in de woonkamer verscheen. Eindelijk kwam ze stilletjes naast Bella aan de eettafel zitten. Ze zag er verschrikkelijk uit. Nog voor ze één hap cornflakes had genomen begon ze te huilen. Mama begeleidde haar naar de bank en hield haar vast, tot het schokken zo hevig werd dat ze maar alleen een hand op haar been kon leggen. Niemand sprak. Bella spiegelde haar moeders strakke blik. Anna’s huilen werd zo hysterisch dat Bella haast een afkeer voelde voor haar gezicht, absurd verwrongen van pijn. De geluiden waren lachwekkend, maar in plaats van een lach kwam er een pijnlijk kuchje uit Bella’s mond. Ze schaamde zich, stond op en liet haar moeder en Anna alleen.   

Midden in de periode van het hysterisch huilen ging Bella uit huis. Ze woonde op kamers in een grote studentenstad, twee uur rijden vanaf thuis. Verdere verslechtering van Anna’s gezondheid maakte ze nauwelijks mee. Haar moeder belde haar vaak. Hoe zwaarder het nieuws was, hoe minder het bij Bella binnenkwam. Anna ging niet meer naar school. Ze sprak niet meer met haar vader. Ze wilde opgenomen worden. Ze stond op allerlei wachtlijsten voor intensievere therapie. Ze zou borderline hebben, maar men vond haar te jong voor de diagnose. Bella zocht op wat ‘borderline’ was maar klikte de pagina weer snel weg. Tussen de termen automutilatie, dissociatie en identiteitsstoornis kon ze Anna niet vinden. Bella ging geheel op in haar studentenleven en kwam zelden thuis. Maar na een jaar werd ze plots de situatie weer ingetrokken. Anna was zo boos op haar vader dat ze het huis niet meer in wilde. Mama had haar maar uit wanhoop naar het tuinhuisje van hun oom gebracht, die in de buurt woonde. Ze belde nu of Bella even op Anna wilde passen, zodat zij naar werk kon. Bella stemde toe, zich afvragend wat Anna zo boos had gemaakt.

 

De lichten in het tuinhuisje hadden een beetje het effect van een spotlight. Nergens was het volledig licht. Het koelde snel af, de muren waren dun en de ramen van enkel glas. Buiten voelde te dichtbij. Zodra Bella was aangekomen verdween haar moeder naar haar werk. Plots was ze alleen met Anna, voor het eerst in weken. Anna lag op de bank, gewikkeld in drie dekens. Ze staarde uit het raam.

‘Hey. Lang niet gezien. Wil je een knuffel?’ Bella liep naar Anna toe en stond ongemakkelijk over haar heen

‘Nee,’ zei Anna nors.

‘Oke.’ Zoekend naar woorden zei Bella, ‘wat een fijn tuinhuisje dit. Waar kijk je naar?’

Anna reageerde niet.

‘Ik ga een kopje thee maken, wil je ook?’

Anna haalde haar schouders op. Bella hield vol.

‘Ik maak het wel voor je, dan kun je het altijd nog laten staan. Ik maak wel die lekkere, met gember en citroen.’

‘Die hebben we hier niet.’

‘Oh. Nou, er is vast een andere lekkere. Wil je iets eten?’

‘Nee. Ik wil niks.’

Het leek of Anna kokhalsde maar ze begon te snikken. Het huilen was nu anders. Het kwam in golven, met een kuchje opgevolgd door een uitgestrekte jammerklank. Bella ging thee zetten. Een herinnering flitste door haar hoofd.

       Een zesjarige Anna ligt op de grond, luid jengelend. Het dwingerige gejank barst soms uit in een kleine kreet. Bella kijkt toe hoe mama haar tevergeefs probeert te troosten. Wat was de aanleiding? Was er ooit een aanleiding? Anna wordt naar boven gebracht. Die avond hoort Bella mama zachtjes praten in Anna’s kamer. Ze luistert aan de deur. Anna speelt zo mooi piano, ze heeft zo’n mooi kunstwerkje gemaakt op school, ze helpt papa zo lief met de plantjes... Complimentjes, Anna krijgt complimentjes! Achtjarige Bella staat verwonderd aan de deur. Ze snapt het niet. Zij jankt nooit, doet altijd haar best en is zelfs geduldig met Anna. Maar zulke complimentjes krijgt ze nooit.

 

Terug. De ketel maakte lawaai. Bella schonk het hete water in de theebekers. Ze zou zorgzaam zijn, net zo zorgzaam als haar moeder.

‘Hier, een kopje muntthee. Ik heb er ook een koekje bijgedaan. Die koffiekoekjes, je lievelings.’

Anna was gestopt met huilen. Ze zei met vlakke stem, ‘Ik hoef geen thee, ik ga wandelen, m’n hoofd leegmaken.’

‘Oké, goed idee. Ik loop wel met je mee. Zullen we naar het bos lopen?’ antwoordde Bella.

‘Nee, je mag niet mee, ik ga alleen.’

Anna trok haar jas en haar trainers aan. De kopjes thee brandden Bella’s handen. Ze zette ze neer. Ze begon te zweten en ademde snel.

‘Anna, ik ga mee. Ik heb mama beloofd dat ik op je zou passen.’

Anna ging stoïcijns verder met het strikken van haar veters. Bella’s handen trilden.

‘Anna, ik ga mee! Ik ga mee, of je het nou leuk vind of niet.’  

Anna staakte het strikken. Bella zag dat ze weer ging huilen en plots maakte het haar woedend.

‘Ik maak me zorgen om je Anna, we maken ons allemaal zorgen. Je snapt toch dat ik niet hier in mijn eentje kan zitten wachten tot je terug bent? Ik wil bij je zijn. Ik wil je helpen.’

Bella zei de woorden rustig, maar Anna klemde haar handen wanhopig over haar oren.

‘Dit helpt niet, je helpt niet,’ zei Anna. Ze hapte naar lucht. ‘Ik wil jou niet hier. Je helpt niet want je bent alleen maar bezig met jezelf en hoe jij hier dan maar zielig op mij moet zitten passen. Je probeert niet eens te begrijpen hoe het met me gaat, je komt alleen maar met die stomme thee. En straks vlucht je weer naar Paul en doe je alsof er niks aan de hand is. Alsof die man niet mijn leven heeft verneukt, met zijn narcistische gedrag. Je erkent mijn trauma aan hem niet. Je erkent mij niet.’

Bij de laatste zin barstte ze in snikken uit.

Bella moest hard haar best doen om niet manisch te gaan lachen. Het feit dat Anna haar vader ‘Paul’ noemt verraste haar. Het was zo absurd. Alles was absurd. Anna en papa hadden vaak ruzie, dat is waar, maar een trauma? Anna traumatiseerde het hele gezin. Plots voelde Bella een intens verlangen naar vroeger, thuis. Ze miste Anna zo dat ze een stap bij haar vandaan deed. Ze opende haar mond om iets te zeggen maar Anna stond op en stormde haar voorbij. Ze ging de slaapkamer in en sloeg de deur achter haar dicht.

Bella verroerde zich niet. Ze staarde naar de plek op de houten vloer waar Anna net geknield zat. Ze dacht aan haar vader. Ze had hem al een aantal weken niet gezien. Ze haalde zijn gezicht met zoveel mogelijk details voor de geest. Een beklemmend gevoel dat ze hem kwijtraakte viel over haar heen. Ze voelde zich ineens een kleuter, die voor haar ouders uitliep en steeds achterom keek om te controleren of ze er nog waren. Alleen nu was ze zo ver vooruit gelopen dat ze niet meer wist waar ze vandaan kwam.

 

Vroeger maakte Bella vaak ruzie met haar vader. Het draaide altijd om onzinnige dingen, zoals wanneer ze gebruikte glazen niet terug naar de keuken bracht, of als ze plakband gebruikte en het niet weer in hetzelfde laatje teruglegde. Maar toen Anna begon met puberen maakte Bella geen ruzie meer. De ruzies tussen Anna en haar vader waren anders. Anna wilde haar vader veranderen.

Een paar maanden geleden was Bella thuis in het weekend. Ze had beloofd langs te komen omdat mama vond dat ze altijd zoveel rust het huis in bracht. Op zondag had Bella papa’s kam geleend en niet teruggelegd in zijn laatje. Hij maakte er geërgerd een opmerking over. Anna ontplofte. Ze vond zijn gedrag belachelijk. Papa ontplofte terug. Hij vond dat ze zich er niet mee moest bemoeien.

Als Bella’s vader boos was schreeuwde hij. De boze energie deed hem trillen en hij maakte wilde gebaren. Zijn opengesperde ogen keken niet gemeen, eerder verbaasd. Alsof hij zich verbaasde over hoe de hele wereld tegen hem was. Niemand luisterde ooit naar hem, niemand volgde verdomme zijn regels op, niemand luísterde. Soms schreeuwde hij zo luid dat Bella haar handen over haar oren legde. Anna deed dit tegenwoordig al voor zijn uitbarstingen begonnen. Dit gebruikte hij graag als voorbeeld dat niemand ooit luisterde. ‘Je luistert weer niet! Ik ben die onzin van jou helemaal zat. Ik ben klaar met op mijn tenen om je heen te trippelen. Je moest eens volwassen worden.’ De boze woorden werden Anna te veel en ze stormde naar boven.

Het gesprek later tussen haar ouders herinnerde Bella zich nog precies. Ze zaten in de auto, zonder Anna, op weg naar Bella’s studentenhuis.

‘Elke dag is het weer hetzelfde liedje. Soms kan ik niet anders dan te zeggen dat Anna haar bek moet houden. Ik ben het zat om op mijn tenen om haar heen te moeten lopen.’ Bella’s vader praat luid en klemt het stuur in zijn handen. Zijn ogen staan groot en wanhopig.

Mama reageert in een boze toon, die ze zelden aanslaat. ‘Nou, je hebt zo mooi de sfeer voor de rest van de familie verpest – met je simpele psychologie van “als ik boos ben moet ik ontploffen.” Anna heeft nog tijd om wijzer te worden, jij niet’.

Het valt stil in de auto. Plots knippert het navigatiesysteem en valt het uit. Ze hadden een omweg gepland om langs de bollenvelden te rijden. Bella’s vader doorbreekt de stilte met een zucht. ‘Ik ga wel de route die we altijd nemen.’ De herkenbaarheid van de straten maakt Bella rustig.

 

Bella opende de deur naar Anna’s kamer. Anna lag in het donker op bed, van Bella weggedraaid. Het kon Bella niet schelen of ze luisterde of niet. De woorden stroomden uit haar mond.

‘Je bent op zoek naar perfecte mensen maar die bestaan niet. Je zult je hele leven lang alleen maar imperfecte mensen tegenkomen. Je mag kiezen om van ze te houden of niet. Ik ben niet perfect, papa is niet perfect, mama is niet perfect en jij ook niet. Ik kies ervoor om van alle vier te houden. Mijn keuze kun je niet veranderen.’

Het was stil. Bella draaide zich weg van Anna, maar hoorde haar toen bewegen. Ze hield haar adem in maar keek niet om. Anna’s stem kwam van ver. Ze klonk niet boos, eerder opgelucht.

‘Ga maar weg. Ik hoef je niet meer te zien. Onze relatie is kapot.’

De woorden landden in Bella’s hoofd en langzaam ademde ze uit. Zonder om te kijken liep ze de kamer uit. De deur sloot ze voorzichtig.

 

De wind suisde door Bella’s dunne vest maar ze de zon warmde haar. Ze luisterde naar het klikken van haar fietsketting. Herfstbladeren dwarrelden naar beneden, aan de lange weg naar het huis van haar ouders. Ze fietste een brug over. Onder haar schitterden golfjes in het water.

Ze wist dat haar vader alleen thuis zat. Na Anna’s woorden had ze meteen het tuinhuisje verlaten. Mama kon ieder moment terug zijn dus Anna zou niet lang alleen zijn. Bella belde haar vader. Hij was blij dat ze langs zou komen. Hij zou haar ontmoeten aan het begin van een donker plattelandsweggetje, zodat ze daar niet alleen hoefde te fietsen. Het donker tekende af tegen de warme gloed van de huizen waar ze langs fietste. Een gezin zat samen aan tafel en Bella was blij dat haar vader niet alleen hoefde te eten. Om de kou tegen te gaan begon ze harder te trappen.

Daar stond hij. Zijn fiets stond tegen een paal en hij hield iets in zijn handen. Hij keek op.

‘Hey, Bella! Kijk.’

Bella stapte af en keek in zijn handen. Hij hield voorzichtig een kikker vast.

‘Deze liep zomaar midden op de weg. Ik reed bijna over hem heen! Wacht, hij wordt zenuwachtig, ik zet hem in het gras.’ De kikker sprong uit zijn handen en Bella’s vader keek hem even na.

‘Oke, laten we gaan,’ zei hij. Ze stapten op de fiets en reden naar huis.

Er was niets aan de hand.

 

 

 

Comments

Popular posts from this blog

assisted suicide

Twining vine

My greatest act of love